Laura

Laura

 
© 2018 Vannier
Boulogne-sur-Mer Maandag 10 juli 1988 Even was ze naar buiten gelopen, de sigaret onaangestoken in haar hand. Om het muffe, te warme kamertje te ontvluchten; en het leven dat ze leefde. Ze absorbeerde gulzig de koude buitenlucht waar, aangetast door de braaksels van de vissersschuiten en oceaanstomers aan de kade, de frisheid al enige tijd af was. Het was de lucht die ze nodig had, ze wist niet beter. Nooit had ze de regio verlaten, nooit had ze ergens anders geademd. Geen berglucht voor haar; het kon bijna niet anders dan dat ze er duizelig van werd. Te veel zuurstof. Of te weinig. Geen idee. En daarom vroeg ze zich af of ze ooit op een andere plek dan in dit godvergeten oord zou kunnen leven. Ze sloot haar ogen en zoog voordat ze de sigaret aanstak, haar longen helemaal vol. Tot ze niet meer kon. Tot ze duizelig werd. Verdomme, dacht ze. Er wordt te weinig gestookt hier. De lucht wordt te schoon. Voorzichtig plaatste ze de Marlboro in haar rechtermondhoek, maakte een windschermpje door een kommetje van haar handen te vormen, en verlichtte in het donkere windluwe hoekje dat ze had opgezocht, haar gezicht met de grillig flakkerende vlam. Ze bekeek de aansteker die Jean bij haar had laten liggen. Of Daniel, of Richard misschien. Nee, Richard rookte niet. Ze haalde nauwelijks zichtbaar (was er wel iemand die haar zag?) haar schouders op: het maakte niet uit. Geen enkele man die haar dorpel passeerde gebruikte zijn eigen naam. Ze keken wel link uit. Laura lachte zonder genoegen terwijl ze haar conclusies trok: Klootzakken waren het. Allemaal. Godverdomde klootzakken. Net zo gretig als ze de zuurstofhoudende lucht in haar lijf had gezogen, trok ze nu de rook haar longen in. Wat een smerigheid! Ze walgde van de geur, de smaak, de verstikkende rook, van zichzelf als ze rookte, maar het hoorde bij een van de verplichtingen die ze met haar lichaam was aangegaan. Als ze haar lijf onthield van teer en nicotine, werd het leven nog beroerder dan het nu al was. Terwijl ze de rook uitblies keek ze omhoog, naar de sikkel die net genoeg licht gaf om af en toe door de mistflarden van zee, die door de harde westenwind werden voortgestuwd te prikken. Een huivering overviel haar, en in een vergeefse poging om warm te worden, maakte ze zich klein door haar armen om zich heen te vouwen. Haar dunne shirt was geen partij voor de kille avondbries die zijn aanval op haar relatieve naaktheid was begonnen. Ze telde de lichten van zeven schepen op zee; een fractie van wat er dagelijks door het Kanaal ging. De meeste zouden doorvaren naar de Golf van Biskaje, misschien naar Scandinavië, Afrika of nog verder zelfs. Misschien gingen ze bij Gibraltar de Middellandse Zee op. Maar allemaal waren ze op weg naar een haven om hun handel te lossen of op te pikken. En allemaal herbergden ze mannen. Mannen die op de kades van vertrek in emotionele omhelzingen voor langere tijd afscheid hadden genomen van ouders, van vrouwen en wellicht kinderen; mannen die hun lusten en verlangens onafscheidelijk bij zich droegen en meenamen naar de benauwde kajuit die ze deelden met hun maatjes. Als ze na een lange dag van gezamenlijke arbeid terug keerden op de enige plek die afzondering deed vermoeden, lagen ook in de naastgelegen britsen de maatjes weer te snurken, te kaarten, te lezen, zich af te trekken of te kletsen. Altijd was er een ander in de buurt. Er waren geen uitzonderingen. En die afwezigheid van afwezigheid was voor velen een probleem. Misschien niet meteen de eerste dagen, maar wel na weken, maanden op zee. Laura kende de verhalen en de problemen; ze waren haar meermaals verteld door verschillende mannen. Daardoor wist ze ook dat niet alleen het gebrek aan de afzondering op zich een probleem was, maar ook het gevolg dat de typisch mannelijke lusten het ruime sop niet daadwerkelijk konden kiezen. En daarom was Laura voor haar vele bezoekers het beste dat ze ooit was overkomen. Alleen lieten ze dat soms wel eens op een wat afwijkende manier blijken. Weer die vreugdeloze lach. Ze nam een laatste trek, gooide de peuk brandend voor zich op de grond en zette er haar teenslipper op. Jezus, wat was het koud. De Zephyr was op komst. Westenwind. Vandaag was de wind na een goeie week uit de noordhoek te zijn gekomen, gedraaid naar het westen. Een Griekse knaap, Aramis meende ze zich te herinneren (of een andere musketier, Laura was niet zo goed in namen), had haar ooit verteld dat Zephyr westenwind betekende. Was het draaien van de wind een aankondiging? Een omen? Ze geloofde er niet zo in. Porthos (of was het toch Aramis) geloofde wel, maar meer in Dionysus en Bacchus, en de Griekse orgie die onder hun gezamenlijke verantwoordelijkheid het levenslicht had gezien. Porthos was niet van de snelle wip geweest. Hij had wat gereedschappen meegenomen in twee koffers en wilde Laura de weg wijzen naar het ultieme genot via zwepen, tepelklemmen, handboeien, kettingen, knijpers, scharen en touwen. Toen hij haar op haar rug op bed had gelegd en ze begon door te krijgen wat hij van plan was geweest, slaagde ze erin om de ene kant van de handboeien die voor haar waren bedoeld, om zijn eigen pols te klikken, en de andere kant aan de spijlen van het bed. Daarna had hij, in de veronderstelling dat het bij het spel hoorde, gedwee toegelaten dat ze hem uitkleedde. Maar ze had hem de kade op gelazerd, naakt. De koffers kwamen hem achterna, nog open, en zijn kleren en de sleutels van de handboeien had ze gehouden. Die mocht iemand anders komen halen, had ze gezegd. Er was nooit iemand geweest. Nu had Michel haar verteld dat de Zephyr weer kwam. Vandaag, einde van de middag. Maar haar ervaring was dat de marge tussen de aankondiging van Michel en het exacte tijdstip van aankomst fors kon zijn. Soms zelfs twee dagen. Misschien kwam er vanavond iemand voor de sleutels. Misschien Porthos zelf wel. Of d’Artagnan. Het maakte haar niets uit. Ze had ze nog. Ze liet een paar tranen toe. Zou Tomaso er nog zijn? Tomaso Branto, de enige man die haar ooit zijn achternaam had verteld. Zijn echte; daar ging ze althans van uit. Laura durfde niet te hopen dat hij aan boord van de Zephyr zou zijn, maar hoop drong zich op. Hoop baande zich een weg naar haar hoofd, haar hart, haar ziel en vrat zich daar vast als een teek in een harige hondenhuid. Of ze wilde of niet. Laura’s ervaring was dat het met hoop hetzelfde was als met een vreselijk woord als gedogen. Een woord dat gebruikt werd om een positieve situatie te beschrijven, maar waarachter tegelijkertijd een diepe afkeer schuilging. Mensen die ongewenst waren, mochten blijven, werden gedoogd, getolereerd. Maar ze bleven ongewenst. Bij hoop was het niet anders. Hoop werd door toeschouwers gezien als iets moois, iets goeds en zachts. Maar hoop was bikkelhard en meedogenloos. Altijd als er hoop was, was er ook twijfel, en dat maakte je kapot. Het was niet voor niets dat een grote bult warme stinkende stront op het midden van de stoep ook hoop werd genoemd. Tomaso kon terugkeren, maar misschien ook niet. Laura kreeg misschien ooit de kans om met hem het perspectiefloze bestaan te ontvluchten, maar de kans dat het niet zou gebeuren was even groot. Toch hoopte ze vurig op een vlucht. En op de komst van Tomaso. Het liefst die twee gecombineerd. De hoop was er altijd; de werkelijkheid was niet in staat om hem te verdrijven.
RubenKorfmaker